dinsdag 26 april 2011

Emo rice

Op internationale academische congressen is de voertaal doorgaans Engels. Britten, Ieren, Australiërs, Nieuw-Zeelanders, Canadezen en Amerikanen zijn daarbij vaak in het voordeel, want zij zijn meestal native speakers. Amerikanen hebben nog een extra voordeel. Zij leren in hun schoolopleiding om een goede presentatie te geven: duidelijk gesproken, helder opgebouwd, begrijpelijk voor iedereen, niet langer dan toegestaan, precies zoals je het zou wensen.
In de rest van de wereld schijnt men daarentegen te denken: als je een goede academische onderzoeker bent, dan zal je ook wel goed zijn in Engels en in het openbaar spreken. Maar de werkelijkheid is weerbarstiger: Johan Cruyff mag een briljant voetballer zijn, maar daarmee is hij nog geen excellent coach. Onderzoekers zijn niet per definitie goede presentators in het Engels.
Zo heb je natuurlijk de geijkte piepmuizende vrouwen en de monotoon brommende mannen, beiden even onverstaanbaar. Maar zelfs als er voldoende volume en enige dictie aanwezig is, kan het nog behoorlijk mis gaan. Zodra een ‘non-native speaker’ in de eerste paar zinnen in het Engels al begint over “develópment” in plaats van “devélopment” dan voorspelt dat zelden veel goeds. Dan ben je meestal een hele lezing lang tegen de klippen op bezig met hervertalen en herinterpreteren:

1. Wat zegt de spreker? (Oftewel: wat hoor ik?)
2. Wat wil hij eigenlijk zeggen? (Oftewel: wat zou ik móeten horen?)
3. En wat heeft dat te betekenen? (Oftewel: waar gaat de lezing nou éigenlijk over?)

Zodra je uit de eerste kromme zin bent, heb je de twee volgende alweer gemist, en begint de spreker aan zijn vierde kromzin. Heeft de spreker het over “low” dan bedoelt hij waarschijnlijk “law”, hoor je “bitch” dan is dat eigenlijk “beach”, het woord “valley” moet je mogelijk begrijpen als “value”, en hoor je “emo rice” dan zal dat hoogstwaarschijnlijk “animal rights” moeten zijn. Het zijn heus niet alleen Aziaten die zich hieraan bezondigen, want ook Zwitsers, Fransen, Italianen, Roemenen, Letten, Russen, Portugezen, Mexicanen en Brazilianen spreken soms heel beroerd Engels.
Zo gaan vele lezingen op academische congressen in feite verloren omdat de voordracht op de één of andere manier onverstaanbaar is als gevolg van de presentatie van de spreker. Dat het publiek na tien minuten niet massaal de zaal uitloopt, is louter een kwestie van beleefdheid en zelfonderschatting. Mensen blijven zitten omdat ze denken: “Het zal wel aan mij liggen dat ik het niet versta”, maar dat is niet waar: bij navraag blijkt na afloop niemand het te hebben verstaan. En dat terwijl er wereldwijd van academici verlangd wordt dat ze deelnemen aan het internationale debat, en dat ze Engelse artikelen publiceren in peer-reviewed internationale A-rated tijdschriften. Die discussie kan alleen op niveau plaatsvinden als we alle wetenschappers – liefst al verplicht in hun opleiding – op cursus sturen: een cursus academisch Engels schrijven en spreken, en een cursus begrijpelijk presenteren op academisch niveau.

Maar aan de andere kant van het spectrum van uiterst vaardige sprekers zit ook een probleem: de gewiekste jargon-gebruikers. Zij gebruiken allerlei omfloerste Engelse termen die hun teksten een uiterst gewichtig aanzien geven. Dit soort taalgebruikers is er ongetwijfeld in allerlei disciplines. In het Nederlandse zakenleven wordt tijdens vergaderingen wel gesproken over “kortsluiten” en “uitrollen”. Wat ze eigenlijk bedoelen, is simpelweg: overleggen en werken. Maar dat laatste klinkt veel te oubollig.
Om de zinnen te verzetten tijdens zulke doodsaaie vergaderingen bedachten mensen ooit de “”. Het was een bingokaart vol modieuze jargonwoorden, en als iemand zo’n woord gebruikte, mocht men die afstrepen op de bingokaart.


Wie als eerste zijn kaart vol had, had gewonnen. Bingo! Of eerder nog: Bullshit!
In de geesteswetenschappen weten sommige sprekers er ook raad mee. Momenteel reuze populair onder sociologen, etnologen en antropologen bijvoorbeeld is het woord “negotiating”. Wat het precies betekent, is niet helemaal duidelijk, want je kan het niet zomaar vertalen met “onderhandelen”. Het gaat eigenlijk vooral om een vorm van onderling strijd leveren om een deel van je gelijk te kunnen halen. Hoe dan ook: wie in deze tak van wetenschap mee wil tellen, moet liefst “negotiating” in zijn titel zetten, en vervolgens in zijn betoog om de vier à vijf zinnen het woord “negotiating” laten vallen, en zo nog wat termen. Noem tenslotte je lezing fundamenteel theoretisch en je kostje is gekocht.
Na recent bezoek aan een dergelijk congres heb ik de volgende etno-bingo opgesteld. Ik zal niet beweren dat het allemaal ‘bullshit’ is… mits met mate en wijselijk gebruikt, kunnen de termen wel degelijk iets duidelijk maken. Maar sommige gewiekste sprekers weten deze begrippen wel erg kwistig door hun teksten te strooien als een vorm van – naar mijn smaak – interessant-doenerij.

woensdag 19 januari 2011

Lorelei

(naar het gedicht Die Lorelei van Heinrich Heine uit 1823)

De Lorelei

Ik weet niet, wat het te betekenen heeft,
Maar ik blijf zo treurig smachten;
Een sage uit oeroude tijden,
Krijg ik maar niet uit mijn gedachten.

De lucht is koel en het schemert,
En rustig stroomt de Rijn;
De top van de berg fonkelt,
In de avondzonneschijn.

De schoonste jonkvrouw zit
Prachtig mooi boven daar;
Haar gouden sieraad blinkt,
Ze kamt haar gouden haar.

Ze kamt het met een gouden kam,
En zingt daarbij een lied,
Dat een overweldigende,
Wonderschone melodie biedt.

De schipper in het kleine scheepje
Grijpt het aan, niet te geloven;
Hij let niet meer op scherpe rotsen,
Hij kijkt alleen nog maar naar boven.

Ik meen, dat in de golven tenslotte
Schipper en schuit zijn vergaan,
En dat heeft, met haar gezang,
De Lorelei gedaan.

zaterdag 15 januari 2011

Broodjes Aap

Communicatie kan tegenwoordig volledig online gebeuren. Via Twitter kreeg ik van Janneke van Wijk de vraag of ze me mocht interviewen over broodjeaapverhalen oftewel urban legends. Ze stuurde de vragen via email op en ik stuurde de antwoorden via email terug. Inmiddels is in het tijdschrift Kunstzone een vraaggesprek met mij verschenen zonder dat Janneke en ik elkaar ooit ontmoet hebben. Het wonder der techniek. Het vraag- en antwoordspel verliep aldus:

Wat zijn de bekendste broodje aap verhalen in Nederland?

Je zou natuurlijk denken het broodjeaapverhaal over het Broodje Aap zelf, maar dat is helemaal niet het geval. Het begrip broodjeaapverhaal (volgens het Groene Boekje moet je het tegenwoordig zo spellen) is in Nederland ontleend aan de titel van het boek dat Ethel Portnoy in 1978 publiceerde: Broodje Aap; de Folklore van de Post-industriële Samenleving. Portnoy woonde toen al een tijdje in Nederland, maar ze is van oorsprong een Amerikaanse, die lang in New York heeft gewoond en ook een tijdje in Parijs. De verhalen die zij vertelt zijn dan ook lang niet allemaal Nederlandse broodjeaapverhalen, maar ook die afkomstig zijn uit de VS. Dat geldt ook voor het titelverhaal 'Broodje Aap': door een aanrijding met een vleeswagen in de New Yorkse wijk de Bronx wordt duidelijk dat er in de hotdogfabriek ook dode dierentuindieren in de hotdogs verwerkt worden. Je denkt een broodje hotdog te eten, maar je hapt misschien wel in een broodje gorilla. Dit verhaal circuleerde destijds nog niet in Nederland (en heeft het hier eigenlijk nooit goed gedaan): wij aten toen nog geen hotdog - dat was nog een uitgesproken Amerikaanse snack. Bij ons circuleerde hoogstens het verhaal dat de Chinees dieren in de gerechten verwerkte die daar niet in thuishoorden: honden en katten. Dat is meteen wèl één van de bekendste broodjeaapverhalen in Nederland, die het al heel wat jaartjes goed doet, al staan ondertussen ook andere etnische restaurants regelmatig onder verdenking. In menige stad weten mensen een shoarma-tent aan te wijzen waar de moslims in de knoflooksaus staan te masturberen uit minachtig voor de klant. Laat ik het er gelijk even bij zeggen: het is nog nooit ergens aantoonbaar gebeurd. Zulk soort verhalen zijn niet gestoeld op concrete vermoedens, maar veel meer op latente angsten en vooroordelen.
Er bestaat niet echt een top tien van broodjeaapverhalen in Nederland, maar dit zijn er een paar die ik zelf regelmatig heb zien terugkeren:

- De Verdwenen Lifter: iemand neemt een lifter mee die even later plotseling is verdwenen. Het is iemand die daar al jaren terug is overleden door een verkeersongeluk. Als variant waarin de lifter een profetie doet over de terugkeer van Jezus op aarde, doet dit verhaal het goed onder protestanten.
- De Gestolen Grootmoeder: oma komt op vakantie in Spanje te overlijden en het gezin besluit geen aangifte te doen, maar haar lijk in de caravan te leggen en over de grens te smokkelen. De list lukt en opgelucht wordt er wat gegeten in een Frans wegrestaurant. Bij terugkeer blijkt de caravan met het lijk gestolen te zijn: nooit meer teruggevonden (en het gezin kon naar de erfenis fluiten).
- Het Hondje in de Magnetron: een oud dametje droogde haar natgeregende hondje altijd even in de heteluchtoven, maar nu ze een magnetron heeft gehad, blijkt het hondje niet tegen de microgolfstraling bestand: rook, brand, kai, kaboem! Ze wint evenwel een rechtszaak tegen de fabrikant, want er stond niet in de handleiding dat je je hondje niet in de magnetron kon doen. Dit gebeurde natuurlijk in Amerika.
- Welkom bij de AIDS-club: een Nederlands meisje krijgt aan het eind van de vakantie een doosje mee van haar Latin Lover: thuis pas openmaken. Er zit een dode rat in met een briefje: Welkom bij de AIDS-club.
- Batman in de Kast: bij de buren op leeftijd gaat een seks-spelletje mis. Na enige tijd worden ze bevrijd door de politie. De buurvrouw lag naakt en wijdbeens op bed vastgebonden. De buurman had, verkleed als Batman, van de kast op haar moeten springen, maar zakte helaas door de bovenkant van de kast en brak allebei zijn benen.
- De Smileybende: een groep Marokkaanse jongens geeft eenzame meisjes ’s nachts de keuze tussen een groepsverkrachting en een smiley. Als ze voor de smiley kiezen worden de mondhoeken van oor tot oor opengesneden.

Bestaat er een eerste broodje aap verhaal of is het dat het verhaal van het broodje aap zelf?

Het verhaal van het Broodje Aap is zeker niet het oudste broodjeaapverhaal. Het is in nevelen gehuld wanneer het eerste echte broodjeaapverhaal is ontstaan – deskundigen spreken liever van een moderne of hedendaagse sage trouwens. En dan begrijp je meteen wat het probleem is. Als je moderne sagen hebt, dan heb je ook traditionele sagen, en die willen nog wel eens naadloos in elkaar overgaan.
Ooit dachten we dat dit verhaal modern was: een man neemt een vrouwelijke lifter (verpleegster) mee, maar begint argwaan te krijgen als de vrouw wel erg behaarde armen heeft. Met een smoes laat de automobilist de ‘vrouw’ even naar een achterlicht kijken en rijdt dan hard weg. In ‘haar’ achtergebleven tas blijken een mes en een bijl te zitten. So far, so good, totdat er veel oudere versies opdoken over een boer, een paard-en-wagen en een vrouw die mee wil rijden. Ook zij blijkt een verklede moordenaar te zijn, en de boer weet wederom via een list tijdig te ontkomen. Met dit verhaal glijden we geruisloos terug de negentiende eeuw in.
Het kan nog veel gekker. Er is een verhaal waarin een man zijn baby bebloed aantreft en vervolgens ziet dat de hond een bebloede bek heeft. In blinde woede slaat hij de valse hond dood. Pas daarna vindt hij de doodgebeten rat in de wieg bij de baby. Achteraf bezien heeft de hond het kind verdedigd tegen de rat. Dit verhaal kunnen we echter terug traceren tot de oudheid, en in de middeleeuwen werd het verhaal al opgetekend in Wales als Llewellyn and His Dog Gellert.
We hebben vaak wel de illusie dat het fenomeen van het broodjeaapverhaal een naoorlogs verschijnsel is, maar op het niveau van motieven en thema’s kunnen we verhalen soms akelig ver terug in de tijd traceren.

Heeft u zelf wel eens een broodje aap verhaal de wereld in geholpen?

De enige reden dat ik dat nog altijd niet gedaan heb, is dat ik nog geen verhaal heb kunnen bedenken dat geloofwaardig en sterk genoeg is om te blijven leven en circuleren. Want ik zou best eens in de praktijk willen zien welke kanalen een verhaal gaat bewandelen, bij wie het aanslaat en hoe lang het verhaal levensvatbaar blijkt. Eigenlijk zou ik er een kettingbrief van moeten maken, zodat er sporen van vertellers in de mail achterblijven. Het sterkste wat ik ooit heb kunnen bedenken is: in Spanje weigert een gescheiden vrouw de hoofdprijs in de lotto te aanvaarden omdat haar man dan geen allimentatie meer hoeft te betalen – ze prefereert als het ware wraak boven rijkdom. Toch ben ik bang dat dit verhaal niet sterk genoeg is om te overleven, en heb ik het – puur uit wetenschappelijke belangstelling - nooit in omloop durven brengen. Ik weet van een student journalistiek die in 2004 voor zijn scriptie een zelfverzonnen broodjeaapverhaal probeerde te laten circuleren, maar het was zo’n warrig verhaal, dat het meteen doodsloeg.

Is een broodje aap verhaal altijd een gek verhaal?


Nee, gek is niet het juiste woord. Bizar, verontrustend, akelig, griezelig, raadselachtig, goor, op een grove manier grappig – dat zijn woorden die het karakter van een broodjeaapverhaal beter typeren, denk ik. Gek is eigenlijk al te afwijkend, en het verhaal mag niet teveel scepsis of wantrouwen oproepen. Voor bijna alle broodjeaapverhalen geldt: het is een bizar verhaal, maar het zou zomaar gebeurd kunnen zijn. Dat element van “het zou kunnen” moet het verhaal in zich dragen, want anders verliest het zijn geloofwaardigheid en valt het door de mand als verzinsel.

Zo ja waarom wordt het dan toch geloofd?

Het antwoord was dus nee: een broodjeaapverhaal mag wel een grens overschrijden, maar niet te ver gaan, want de verhalen danken hun bestaansrecht aan hun geloofwaardigheid. Het gaat om een kern van waarheid, maar die zit net nog een niveau dieper dan we vermoeden.

Zit er altijd een kern van waarheid in een broodje aap verhaal?

Nee, voor ongeveer 10% van de broodjeaapverhalen geldt dat er een kleine kern van waarheid in zit. Voor 90% geldt dus dat ze volkomen uit de lucht gegrepen zijn. Zoals ik net zei: toch zit er in elk broodjeaapverhaal een kern van waarheid, maar op een niveau dieper: de latente moraal. Elk verhaal brengt een wensdroom of angst, wraakgevoelen of vooroordeel tot uitdrukking. Zo is de onderliggende moraal van het broodjeaapverhaal over de Smileybende en de sperma in de shoarmasaus: zie je wel, ik dacht het altijd al, die Marokkaanse gasten (of: moslims) zijn niet te vertrouwen.
Veel broodjeaapverhalen komen mensen (vertellers en luisteraars) op een moreel niveau heel goed in de kraam te pas. Zie je wel, Jezus komt echt binnenkort terug op aarde. Zie je wel, ratten zijn onbetrouwbare rotbeesten en honden zijn de mens trouw tot in de dood. Zie je wel, bejaarden zijn ook gewoon te stom om met moderne electronica om te gaan. Of: zie je wel wat een achterlijk rechtssysteem die Amerikanen hebben? Die geven een oud wijf gelijk dat haar hond in de fik steekt. Zie je wel, gezonde Hollandse meiden moeten geen seks hebben met ongure Mediterrane types: van buitenlanders krijg je alleen maar ziektes. Hollandse meiden moeten zich concentreren op Hollandse jongens. Oh, en zie je wel: vieze oude mensen moeten helemaal geen seks hebben, daar krijg je alleen maar ongelukken van.
Dat zijn de waarheden die in onze broodjeaapverhalen verborgen zitten. Dit zijn de emotionele knoppen waarop onze broodjeaapverhalen bij ons drukken. En tot onze schrik moeten we vaststellen dat de moraal van nogal wat broodjeaapverhalen behoorlijk conservatief is. De mores van het eigen groepje worden veelal goedgekeurd, en al het afwijkende wordt op een verhulde en narratieve manier afgewezen.

Lenen deze verhalen zich beter voor verfilming dan andere verhalen?

Broodjeaapverhalen zijn al vaker voor televisie bewerkt, en een film als Urban Legend (1998) is een redelijk ijzingwekkende aaneenrijging van de griezeligste broodjeaapverhalen. De twee sequals beweren dat ook te zijn, maar ditmaal is het horror die het aanzien niet waard is. Broodjeaapverhalen zijn ook bruikbaar voor de literatuur: Roald Dahl heeft ze gebruikt en zelfs Harry Mulisch heeft er eens eentje in een roman verwerkt. In De Elementen (1988) wordt er een duiker door een blusvliegtuig opgeschept en boven een brandend bos losgelaten.
Broodjeaapverhalen hebben van nature vaak een sterke plot en appelleren bij velen aan onderbuikgevoelens, en dat zijn de redenen waarom ze zo goed weten te overleven. Maar laten we wel wezen: heel veel volksverhalen zijn het verfilmen waard. Sprookjes, sagen, legenden, mythen en moppen zijn ook veelvuldig gevisualiseerd (en in literaire werken te pas gebracht, zoals Lord of the Rings en de Harry Potter-reeks).

Moet je gek of geniaal zijn om broodje aap verhalen te bestuderen?

Ik denk dat geen van beide eigenschappen echt in je voordeel zijn. Ik ken maar één kenner van broodjeaapverhalen van wie ik vermoed dat hij gek is, maar dat is een oud-journalist. De in broodjes aap gespecialiseerde wetenschappers uit binnen- en buitenland die ik ken, zijn akelig normaal. Goed, de ene is misschien wat zweveriger (en sluit het bestaan van spoken niet uit) en de andere wat nuchterder (telt de varianten, meet de verspreiding, en legt het gebrek aan logica bloot, waarna hij verhalen tot broodjes aap verklaart). Ik zou geloof ik wel gek worden als ik alleen maar broodjeaapverhalen zou moeten bestuderen. Met veel genoegen wijk ik regelmatig uit naar de mop, de sage of het sprookje.

zaterdag 25 december 2010

Omataal

Als mijn moeder (van 82) soms iets zegt, dan zitten mijn kinderen (18 en 19) mij wel vragend aan te kijken: wat bedoelt oma bijvoorbeeld met een "schaarlooslopertje"? Ik moet dan als intermediair optreden om in onbruik geraakte woorden of begrippen te vertalen. Vandaar dat ik inmiddels maar een lijstje ben begonnen, want nog even, en de woorden en hun betekenissen zijn echt verdwenen. Er zit overigens ook wat opataal tussen, maar opa is inmiddels al overleden. Waarschijnlijk zal dit lijstje, nu ik op mijn moeder's taalgebruik ben gaan letten, nog wel wat groeien. Ik vermoed dat de nodige woorden en uitdrukkingen uit Vlaardingen - of wat breder: uit de Rijnmond - stammen.

Achterkontig: achterdochtig
Afgeknoedeld: dodelijk vermoeid
Amezuur: embouchure (Fr.), de manier waarop men met de lippen een koperinstrument aanblaast
Beeldwit: lijkbleek. Een beeldwit is eigenlijk een beeldweter, iemand met het tweede gezicht, die in de toekomst kon kijken. Mogelijk is het misverstand in de wereld gekomen doordat een beeldwit tijdens de trance bleek weg kon trekken, of dat het van nature vaak bleke mensen waren.
Be(l)jaat: welja
Belneent: welnee
Bijsterveld: in de uitdrukking: “Dan kan je wel met je piesie naar het Bijsterveld”, waarschijnlijk in de betekenis: alles is verloren (Pieter van Bijsterveld was een Rotterdamse piskijker en kwakzalver, 1870-1950)
Bik: in de uitdrukking “Ze zijn daar bik op”, daar is grote belangstelling voor.
Billentikker: pandjesjas, waarbij de pandjes tijdens het lopen op de billen tikken.
Bleddiehoera: branie, rumoerig gepoch, in een uitdrukking als "met een hoop bleddiehoera" (waarschijnlijk van het Engels "bloody hurray")
Bunzig: angstig, bang
Dood van Pierlala: in de uitdrukking "Je ziet eruit als de Dood van Pierlala": je ziet eruit alsof je op sterven na dood bent (eigenlijk is de Dood van Pierlala een oude poppenkastfiguur; Pierlala stond op uit de dood)
Doordrenzen: doorweken, doordringen
Doos: doods, uitgestorven, niemand te zien
Dorpel: drempel
Dreinen: zeuren
Drissen: trippelen, drentelen ("iemand achterna drissen")
Drollenvanger: nickenbocker, driekwartbroek met dichte pijpen
Eén toetmem: een en hetzelfde, één pot nat (Fr.: toute même)
Elektrizijn: electricien
Elfendertigst: in de uitdrukking "op z'n elfendertigst": heel traag
Fieteldans: van een zeer beweeglijk persoon, die niet met bewegen kan ophouden, kan worden gezegd dat deze de fieteldans heeft (van Sint-Vitusdans)
Gazeuse: limonade met koolzuurgas (Frans gazeuse = met gas)
Gejeremieer: geklaag (naar de klaagzangen van Jeremia in de Bijbel)
Gekke Henkie: in een uitdrukking als “Ik ben Gekke Henkie niet”: dom figuur
Gespogen spek: in de uitdrukking: “hij is het zo zat als gespogen spek”: hij is het spuugzat, uitgekotst spek
Ge-urm: gezeur
Groos: groots, trots
Holsblokken: grove grote schoenen, waarschijnlijk vroeger gezegd van grote klompen (Duits: Holzblock, mv. Holzblöcke)
Hubekelubus: het heen en weer (in de uitdrukking "ik krijg er het hubekelubus van")
Imitasie: bier met (gele) limonade, shandy
Ingedeuteld: ingezakt
Jutteren: voortdurend heen en weer bewegen, waardoor iets kapot gaat
Kaakie: biskwietje
Kaassie: vooral in de uitdrukking "Dat is kaassie", dat is fijn, genieten
Kaduuk: kapot
Kesuis: precies
Ketelpak: (blauwe) overall
Kiksaus: in de uitdrukking: “daar zit ‘m nou juist de kiksaus”, dat is de clou, de oplossing (zelfde afkomst als kesuis?)
Kins: kinds, kinderlijk, van oudere mensen gezegd die weer terugkeren naar hun kindertijd en niet meer bij de tijd zijn
Kloten van de bok: waardeloos
Konen: wangen (verkleinwoord: koontjes)
Konkelefoezen: smoezen, samenzweren
Kratsen: krabben
Kromvinger: onhandig persoon, klunzige klusser
Krootjes: bietjes
Krotenzaaier: mislukkeling, klootzak
Krum: hoeveelheid kruimels (kruim), restant shag
Kurmen: kermen, kreunen
Kwar: een nors, kortaf persoon.
Kwarrig: nors, kortaf, kwaadaardig
Kwatten: spugen
Loper: een universele sleutel, die op een serie sloten past
Makgans: trage werker die nergens op let, zijn gemak ervan neemt
Meleur: in de uitdrukking “Ook een meleur”: malheur (Fr.), pech, in de uitdrukking ook in de betekenis van “wat maakt dat nou uit?”
Miniseren: verminderen
Molenaartje: Lieveheersbeestje
Mombakkes: masker
Nijdig: in de uitdrukking "ik vreet me nijdig" - het eten, kauwen is een heel karwei.
Olienoten: pinda’s
Ongelukkig: gehandicapt
Opjuinen: ophitsen, opjagen
Opoe: ongesteld
Opoe Herfst: lelijke, verlopen oude vrouw (naar Petronella Herfst uit Kralingen, die in 1941 honderd jaar werd)
Opgemaakte koekjes: petits fours 
Papzacht: heel erg zacht, bv. gezegd van een fietsband 
Peen en uien: hutspot 
Peentje: worteltje
Piete- (als in Piete-oog): verwensing waarbij een lelijk woord wordt vermeden, zoals pest- of rot-
Piezelierig: van vrouwen gezegd, als ze door teveel drank lacherig en aanhalig werden.
Pikeur: in de uitdrukking "Daar is hij (een) pikeur in": daar is hij een meester, expert in. 
Pikstaanderig: (alleen van mannen) geil, in het stadium van de erectie.
Praas: eig. praats ("wat hebbie weer een praas"): het hoogste woord hebben
Prakkie: warm avondmaal, doorgaans met geprakte aardappels 
Prasiemaker: opschepper, ruziezoeker
Prik: limonade
Rauwdouwer: ruw, onbehouwen persoon, sloper
Rauzen: onvoorzichtig te werk gaan en spullen door elkaar gooien 
Roodkopere: in de uitdrukking "Hij is voor zijn roodkopere"- het is voor elkaar, het is prima in orde. Ook in deze variaties gehoord: "Hij is voor zijn ruige roodkopere" en "Hij is voor zijn roodkopere klarinet".
Sauzen: intens regenen
Schaarloosloper(tje): zwerfkat, zwerfhond, loopt rond zonder schare
Schaggetje (cake): sneetje, stukje
Schobberdebonk: in de uitdrukking "hij liep erbij voor schobberdebonk": verwaarloosd, in vodden gekleed
Schoer
: schouder
Schuier: soort kledingborstel
Schuinte(tje): weg die omhoog of omlaag gaat
Seurig: zwakjes (bijv. gezegd van een lampje dat zwakjes brandt), traag, zonder pit (van een persoon)
Simmen: pruilen, mokken
Simmetje: vistuig (draad, dobber, lood, haakje)
Sjimpen: huilen, janken
Smiespelen: fluisteren, onduidelijk praten
Smous: Jood
Snipperdag: vrije dag
Snotpork: spotnaam voor iemand die erg verkouden is
Spatsies: kapsones (spatsies hebben, maken; uit het Duits Spass, scherts)
Stijfnijdig: strak, verkrampt
Trek: tocht (ook: “het trekt”, het tocht)
Uitgekinderd: klaar
Vechtpet: legergroene pet (van soldaten, niet van officieren)
Verinneweerd: vernield
Verinneweren: kapot maken
Vinnig: als in "een vinnig persoon": een levendig, alert en/of fel persoon 
Watt en Halfwatt: een lang persoon en een korte (naar een Deens komisch duo uit de tijd van de stomme film)
Zeik: in de uitdrukking "iemand in de zeik drukken", iemand kleineren
Zije kousen: eig. zijden: gevlei, mooipraterij. In de uitdrukking "Ga jij maar door met je zije kousen."

zaterdag 23 oktober 2010

Abraham



Ik ben persoonlijk nooit zo'n fan geweest
van Vader Abraham.
Ik bedoel:
Het Kleine Café Aan de Haven vond ik nog wel okay,
maar dat Smurfenlied is echt überbagger.
Die man wordt zwaar overschat.
Dus dat ze een koek naar hem maken
vind ik persoonlijk teveel eer.
Ik vind die koek niet eens goed lijken, zo zonder bolhoed.

Maar ik begon het pas een beetje te begrijpen toen ik hem
in de Volksverhalenbank weer tegenkwam.
Hij is ook die Abraham van die moppen.

Na het eten, onder het gezellige licht
van de schemerlamp leest Saar de krant.
Bij het lezen van de overlijdensberichten stuit ze
op een bekende en roept Moos.
"Weet je dat Abraham is overleden?" zegt ze ontzet.
"Abraham?" zegt Moos, "die zou morgen nog wel komen kaarten."
"Klopt," zegt Saar: "Kijk maar, in het bericht
staat nog: 'In plaats van kaarten'."

Ik heb op papier en in gedachten al
honderd keer een dankwoord geformuleerd
voor deze smakelijke Abraham.
En elke serieuze poging strandde
in een treurig soort grafrede.
Vandaar deze onserieuze poging.
Ik ben niet echt 50 geworden,
maar eerder 18 + 32.

Ik heb begrepen dat de echte Vader Abraham
uiteindelijk 175 jaar oud is geworden.
Kijk, daar teken ik voor, want dat betekent straks:
ruim een eeuw pensioen!